1ste zondag van de Advent

30 november 2025 
bij Mt 24,37-44 uit Augustinus’ sermo 114B,1

De Heer sprak over zijn wederkomst en over het einde der tijden. Hij had al gewag gemaakt van de vele verschrikkingen die de mens­heid zal moeten ondergaan als het einde nadert. Daarna leverde Hij kritiek op de mensen die in zekerheid willen leven waar geen zekerheid is en zo maakte Hij hen doodsbang. Hij zei dat het bij de komst van de men­sen­zoon voor dat laat­ste oordeel – dat iedereen angst aanjaagt maar voor trouwe gelo­vi­gen toch ook iets is om naar uit te zien – Hij zei dus dat het bij zijn komst net zo zou gaan als in de dagen van Noach (Mt 24,47 en Lc 17,26-27). Met deze woor­den joeg Hij het hart van iedere gelovige schrik aan. Want Hij zei: “Zoals in de dagen van No­ach: ze aten en dron­ken, huwden en werden uitgehu­we­lijkt, kochten en ver­kochten toen de ark door Noach gebouwd werd, en de zondvloed kwam en ver­delgde allen.” (Gn 7,1-24, Mt 24,37-39 en Lc 17,26-27)

   De mensen uit die tijd leefden in een gevaarlijk soort zekerheid en genoten van alle genoegens van deze wereld. Dat deden zij, totdat Noach de ark binnenging en de zond­vloed hen naakt en met lege handen aan­trof. Door deze woorden jaagt de Heer ook vandaag elke ziel schrik aan, maar wij heb­ben nog tijd om wakker te worden. Nog is de dag van het oor­deel niet aan­ge­broken, nog is er geen zondvloed. Nog steeds wordt er in de bossen hout ge­kapt dat niet kan rotten, nog steeds wordt er ge­bouwd aan de ark.


Uit: Joke Gehlen-Springorum, Vincent Hunink, Hans van Reisen en Annemarie Six-Wienen, Aurelius Augustinus – Als korrels tussen kaf: preken over teksten uit het Marcus- en Lucasevangelie [Sermones de scripturis 94A-116 + 367], [Ambo] Amsterdam 2002 / [Damon] Budel 2007, 273 (= sermo 114B,1).