Witte Donderdag – 2 april 2026
bij Joh 13,1-15 uit Augustinus’ Io.eu.tr. 55,4
Maar wat is er eigenlijk zo vreemd aan dat Jezus tijdens de maaltijd opstond en zijn bovenkleed aflegde? Hij had zich toch immers ontledigd hoewel Hij de gestalte van God had (Fil 2,6). En wat is er zo vreemd aan dat Hij een linnen doek omsloeg? Hij had immers de gestalte van een slaaf aangenomen en was als mens verschenen (Fil 2,7). Wat is er zo vreemd aan dat Hij water in een waskom goot om er de voeten van de leerlingen mee te wassen? Hij vergoot immers zijn bloed op aarde om er het vuil van de zondaars mee weg te spoelen. En wat is er zo vreemd aan dat Hij met de doek die Hij had omgeslagen, de zojuist door Hem gewassen voeten afdroogde? Hij had immers met het lichaam waarmee Hij bekleed was, de voeten van de evangelisten klaargemaakt. Om een linnen doek te kunnen omslaan heeft Hij het bovenkleed dat hij droeg afgelegd. Maar om de gestalte van een slaaf aan te kunnen nemen heeft Hij zich ontledigd en daarbij niet afgelegd wat Hij al droeg, maar aangenomen wat Hij nog niet had. Toen Hij gekruisigd zou worden is Hij, let goed op, beroofd van zijn kleren en eenmaal gestorven is Hij gewikkeld in linnen doeken. Heel zijn lijden is een reiniging van ons.
De lijdensdood die Hij zou ondergaan, heeft Hij dus vooraf laten gaan door daden van dienstbaarheid, niet alleen aan degenen voor wie Hij zou sterven maar ook aan degene die Hem zou uitleveren aan de dood.
Uit: Hans Tevel en Hans van Reisen, Aurelius Augustinus – De laatste visvangst. Verhandelingen 55-124 over het Johannesevangelie [In Iohannis euangelium tractatus], [Damon] Eindhoven 2021, 70 (= Io.eu.tr. 55,4)
