17 januari: 2de zondag

2de zondag door het jaar – 17 januari 2027
bij Joh 1,35-42 uit Augustinus’ verhandelingen over het Johannesevangelie 7,10:

Wat zoeken jullie?” “Rabbi,” zeiden ze tegen Hem –  dat is in onze taal “meester”- heeft u ergens een verblijfplaats?” Hij zei: “Kom maar mee, dan zul je het zien.” Ze gingen met Hem mee en zagen waar Hij verbleef. En ze bleven die dag bij Hem. Het was ongeveer het tiende uur (Joh 1,38-39).

Nu denken we toch niet dat de evangelist geen reden heeft gehad om ons te vertellen hoe laat het was? Het moet toch zo zijn dat hij op die plaats onze aandacht op iets heeft willen vestigen, ons er iets achter heeft willen laten zoeken? Het was het tiende uur. Het getal tien verwijst naar de wet omdat de wet in tien geboden is gegeven. Maar de tijd was gekomen dat de wet zou worden vervuld door de liefde, want de joden konden haar slechts vervullen door de vrees. Daarom zegt de Heer: “Ik ben niet gekomen om de wet af te schaffen maar om die tot vervulling te brengen.” (Mt 5,17) Terecht zijn die twee dus op het tiende uur achter Hem aan gegaan, afgaand op het getuigenis van de vriend van de bruidegom. En terecht hoorde Hij op het tiende uur: “Rabbi,” hetgeen betekent: “Meester, leraar.” Als de Heer zich nu op het tiende uur leraar hoorde noemen en het getal tien betrekking heeft op de wet, kan de leraar van de wet geen ander zijn dan Hij die de wet gegeven heeft. Laat niemand beweren dat de wetgever en de wetsleraar twee verschillende personen zijn. Hij, die de wet gegeven heeft, legt haar zelf uit. Hij is de leraar van zijn eigen wet en onderwijst er in. Barmhartigheid ligt op zijn lippen. Daarom geeft Hij een barmhartige uitleg van de wet zoals geschreven staat over de Wijsheid: “De wet en barmhartigheid liggen op haar lippen.” (Spr 31,26) Wees niet bang dat u de wet niet kunt vervullen, neem uw toevlucht tot de barmhartigheid. Als het u teveel is de wet te vervullen, maak dan gebruik van deze afspraak, deze overeenkomst, dit smeekschrift dat de hemelse advocaat voor u heeft opgesteld.

Uit: Aurelius Augustinus – Geef mij te drinken: verhandelingen over het Johannesevanglie 1-23;  – Budel : Damon 2010, p. 172-173