3de zondag door het jaar -24 januari 2027
bij Mc 1,14-20 uit Augustinus’ sermo 250,1
De Heer Jezus koos wat voor de wereld zwak is, uit om het sterke te beschamen (1 Kor 1,27). Bij het bijeenbrengen van zijn kerk uit de gehele wereld, begon Hij niet bij keizers of senatoren, maar bij vissers. Zou bij het kiezen immers voorrang zijn gegeven aan mensen met een bepaalde positie, dan zouden die dat rustig aan zichzelf durven toeschrijven en niet aan de genade Gods. Dat geheime plan van God, dat plan van onze Verlosser, wordt door de apostel Paulus uit de doeken gedaan met de woorden: “Denk maar aan uw eigen roeping” – dit zijn de woorden van de apostel – “denk maar aan uw eigen roeping, broeders en zusters, dat er naar menselijke maatstaf niet velen geleerd waren, niet velen machtig, niet velen van hoge afkomst, maar God heeft wat voor de wereld zwak is, uitverkoren om het sterke te beschamen. De keuze van God viel op het geringe en onbeduidende deel, op wat niets is, om teniet te doen wat iets is, opdat geen mens tegenover God zou roemen op zichzelf.” (1 Kor 1,26-29).
Ook de profeet Jesaja zegt dit: “Elk dal moet worden opgehoogd, elke berg en heuvel afgegraven, oneffen plekken moeten vlak gemaakt worden.” (Js 40,4) Kortom, op dezelfde wijze hebben vandaag mensen van hoge en lage rang, geleerd en onontwikkeld, arm en rijk, zonder onderscheid toegang tot de genade van de Heer. Om die genade te ontvangen heeft de hoogmoed geen voorrang boven de nederigheid van iemand die niets weet, niets bezit of niets betekent (2 Kor 6,10).
En wat zei de Heer ook al weer tegen hen? “Kom, volg Mij en Ik zal u vissers van mensen maken.” (Mc 1,17) Als die vissers ons niet waren voorgegaan, wie had ons dan gevangen? Nu is iemand die naar behoren weet uit te leggen waarover een visser heeft geschreven, een groot spreker.
Uit: Aurelius Augustinus, Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; – Baarn : Ambo 1996, p. 165
