30 mei: 9e zondag

9e zondag door het jaar – 30 mei 2027
bij Mc 2,23-36 uit Ambrosius’ uitleg van het evangelie volgens Lucas 5,32-38:

Treffend wijst de Heer in de wet ook in deze passage de vooruitwijzing naar de toekomst aan. Hij laat daarin blijken dat de verdedigers van de wet niet op de hoogte zijn van wat de wet eigenlijk is. Hij haalt het voorbeeld aan van David. (Lc 6,3, Mt 12,3 en Mc 2,25) Toen deze met zijn metgezellen honger kreeg, ging hij het huis van de Heer binnen, nam de offerbroden mee, at ervan en gaf ze ook aan zijn metgezellen. (Ex 25,30, Lv 24,5-9, 1 S 21,26, Mt 12,4, Mc 2,26 en Lc 6,4) Een indrukwekkend voorbeeld, echt een profetie!

Ten eerste wordt ermee uitgedrukt dat wij geen loze uitspraken in de wet moeten opvolgen maar wel wat er wezenlijk en waardevol in is. Ten tweede probeerde David met zijn gezellen koning Saul niet onder ogen te komen en was zodoende hier in het Oude Testament een voorafbeelding van Christus, die met zijn apostelen verborgen moest blijven voor de vorst van de wereld.

Hoe kon David echter de wet trouw in acht nemen en verdedigen maar zelf broden eten en er nog van aan zijn metgezellen uitdelen, broden die alleen door priesters mochten worden gegeten? (Lv 24,9) Hij moet dat hebben gedaan om door deze zinnebeeldige handeling aan te tonen dat het voedsel voor de priesters ooit ter beschikking zou komen aan de volken. Wellicht omdat wij allemaal een priesterlijke levenswandel moeten evenaren of omdat alle kinderen van de kerk priester zijn. Wij ontvangen immers de zalving tot een heilig priesterschap en dragen onszelf aan God op als geestelijke offers.

De leer van Christus stroomt voortaan over de wet heen. Christus heft de wet niet op, maar Hij vervult de wet (Mt 5,17), want ook de sabbat heeft Hij niet opgeheven. De sabbat is immers gemaakt voor de mens en het welzijn van iemand als David vroeg dat iemand die wilde eten na lange tijd de vruchten der aarde te hebben afgeslagen, stopte met vasten en de vroeger voorgeschreven honger opgaf. Daarom wordt de wet nog niet afgeschaft; nee, de wet wordt vervuld. Hoe werpt men anders de Heer als misdrijf voor de voeten wat de knecht als zodanig niet wordt aangerekend?

Wat ligt verder meer voor de hand dan de zinnebeeldige trek die door deze hele geschiedenis heenloopt? David is het huis van de priester Achimelek binnengegaan. Maar al stond het leven van deze heilige priester erbij op het spel, hij dacht er niet aan een gastvriend de toegang te ontzeggen en een vluchteling af te wijzen (1 S 21,2-8). Het mooie van gastvrijheid gaat zover dat wij gevaren die anderen lopen, graag zelf voor lief nemen.

Nu ligt in het verhaalde een morele aanduiding, maar op de verborgen achtergrond een voorzegging: gewetensvolle priesters mogen zelfs met risico van levensgevaar die ware David een gastvrije ontvangst in hun hart niet ontzeggen. We leren hier dat Christus niet alleen in het huis van elke profeet gastvrijheid zal vinden maar er ook figuurlijk de boze geesten met hun buit en wapenrusting zal wegnemen (1 S 21,9-10). Want wie Christus gastvrij in zich opneemt, berooft die boze machten waaronder men Goliat kan verstaan, van hun wapens.

Wat spreekt verder duidelijker voor zich dan dat David in Achimeleks huis vijf broden vroeg en er maar één kreeg? (1 S 21,5-7) Dit wijst erop dat voortaan niet meer met de vijf boeken van de wet, maar met het lichaam van Christus voedsel voor de gelovigen zou worden bereid: Christus zou het lichaam aannemen om niemand van de gelovigen honger te laten lijden. Ook Doëg wijst naar de toekomst: hij was opzichter over de muilezels (1 S 22,18-22). Niemand anders dan een opzichter over een kudde zonder nageslacht zorgde immers voor de voorafbeelding van de verrader Judas.

De bijzonderheid nog dat Saul vanwege de hartelijke ontvangst van David tegen het hele huis van Achimelek het zwaard trok, behalve tegen de toenmalige hogepriester Abjatar (1 S 22,22), wijst er als het ware profetisch op dat niemand de eigenlijke en enige hogepriester schade kan toebrengen die die eigenlijke en enige hogepriester is, alleen Christus (Heb 5,10).

uit: Peter Eijkenboom S.J., Fried Pijnenborg S.J. en Hans van Reisen, Ambrosius van Milaan – Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas, Budel 2005, 227.