14de zondag door het jaar – 4 juli 2027
bij Marcus 6,1-6 uit Ambrosius’ uitleg van het Lucasevangelie 4,46:
“Ik verzeker u: geen profeet is zijn vaderstad welgevallig.” (vgl. Mc 6,4) Meer dan normaal komt hier afgunst om de hoek kijken; aan sympathie van burgers voor elkaar wordt niet meer gedacht, maar wat een reden tot liefde moest zijn, wordt omgebogen tot bitter haatgevoel. Bovendien wordt zowel door het voorbeeld van Jezus als door wat Hij zegt te kennen gegeven dat u tevergeefs naar de hulp van hemelse barmhartigheid uitziet, als u met een jaloerse blik kijkt naar het succes van andermans deugd. De Heer wijst immers wie afgunstig is af en houdt de wonderen van zijn almacht weg van mensen die vitten op wat Hij bij anderen aan goeds teweegbrengt. De daden van de Heer als mens zijn immers een afspiegeling van zijn godheid en zijn onzichtbaar wezen wordt door het zichtbare (Rom 1,20) voor ons aanschouwelijk gemaakt.
De verontschuldiging van onze zaligmaker geen wonderen van eigen kracht in zijn vaderstad te hebben gedaan, is dus niet voor niets: men mocht niet denken dat vaderlandsliefde voor ons van minder waarde zou zijn. Want omdat Hij van allen hield, kon Hij ook onmogelijk medeburgers uitsluiten van zijn liefde. Nee, zijn eigen stadgenoten wezen uit afgunst die vaderlandsliefde af. De liefde is immers niet afgunstig; zij verbeeldt zich niets (1 Kor 13,4). Toch is Christus’ vaderstad niet verstoken gebleven van Gods weldaden. Welk wonder was er immers groter dan dat de menswording van Christus daar plaatsgevonden had. Zie dus hoeveel kwaad afgunst teweegbrengt. Door afgunst was de vaderstad niet goed genoeg om Christus daar als medeburger zijn werk te laten verrichten. Maar de stad was wel goed genoeg om de menswording van Gods Zoon daar te laten plaatsvinden.
uit: Ambrosius van Milaan – Zingen met mijn geesdt en ook met mijn verstand; – Budel : Damon 2005, p. 196-197.
