21e zondag door het jaar – 22 augustus 2027
bij Joh 6,60-69 uit Augustinus’ verhandelingen over het Johannesevangelie 27,5:
Wat betekent nu die toevoeging: “De Geest maakt levend, het lichaam dient tot niets”? (Joh 6,63) Laten we het vragen aan de Heer. Hij vindt het helemaal niet erg als we meer willen weten, zolang we Hem maar niet tegenspreken: “Heer, goede meester, hoe is het mogelijk dat het lichaam tot niets dient? U hebt toch zelf gezegd: ‘Wie mijn lichaam niet eet en mijn bloed niet drinkt, heeft geen leven in zich’? (Joh 6,53) Dient het leven dan nergens toe? Maar waarom zijn wij dan wat we zijn? Dat is toch om het eeuwige leven te hebben dat U ons belooft door uw lichaam? Wat houdt het dan in dat het lichaam tot niets dient?”
Het dient tot niets, in ieder geval in de interpretatie die zij gaven. Zij vatten lichaam namelijk op in de betekenis van vlees zoals dat van een kadaver wordt gescheurd of zoals het in de slagerij wordt verkocht, niet zoals het door de geest wordt bezield. Daarom staat de uitspraak “Het lichaam dient tot niets” op één lijn met de uitspraak “Kennis maakt verwaand.” (1 Kor 8,1) Moeten we de kennis dan maar haten? Natuurlijk niet!
Wat houdt dat: “Kennis maakt verwaand” dan wel in? Het verwijst naar kennis zonder meer, naar kennis zonder liefde. Daarom liet Paulus erop volgen: “Maar de liefde bouwt op.” (1 Kor 8,1) Voeg dus de liefde toe aan de kennis en de kennis wordt nuttig, niet door zichzelf maar door de liefde. Zo geldt ook hier dat het lichaam tot niets dient, althans het lichaam zonder meer. Laat de geest zich voegen bij het lichaam, zoals de liefde zich voegt bij kennis, en het lichaam dient tot heel veel. Want als het lichaam tot niets zou dienen, was het Woord geen vlees, geen lichaam geworden om onder ons te wonen (Joh 1,14).
Uit: Aurelius Augustinus – Brood om van te leven: verhandelingen over het Johannesevangelie, [Damon] Budel 2021; p. 121-122.
