29 augustus 22ste zondag

22e zondag door het jaar – 29 augustus 2027
bij Mc 7,1-23 uit Ambrosius’ uitleg van het Lucasevangelie 7,78-79:
De joden houden zich aan de overlevering van mensen en verwaarlozen die van God (Mc 7,1-5). De leerlingen zetten Gods overlevering voorop en verwaarloosden die van mensen. Zij wasten hun handen dan ook niet bij het eten van het brood, want wie helemaal in bad is geweest hoeft zijn handen niet meer te wassen (Joh 13,10). Jezus had aan hen de wassing gedaan. Zij waren niet naar een tweede op zoek. Christus heeft toch met zijn ene doopsel alle wassingen ongedaan gemaakt. Zodoende hoeft wie door de kerk is gewassen, zich niet opnieuw te wassen. De leerlingen hadden hun aandacht dus bij het geheim en maakten zich niet druk over het verzorgen van hun uiterlijk maar van hun ziel. De joden gaven hierover hun afkeuring te kennen maar worden scherp door de Heer van repliek gediend dat zij inhoudsloze gebruiken in stand hielden en geen oog hadden voor wat hun nuttig was.

Daarom antwoordde Hij hun: “Waarom zegt u tegen vader en moeder die u volgens voorschrift van de wet moet eren: Elke gave van mij aan de tempel komt u heus wel ten goede?” (Mt 15,4-5) Dat wil zeggen: een vader of moeder vragen in hun behoeftige omstandigheden een bijdrage voor hun levensonderhoud aan hun zoon; deze is als jood bang voor de wet maar zoekt een uitvlucht om niet te geven en zegt dan gewoon: “Het is offergave voor de tempel wat van mij aan u ten goede zal komen.” En dan moet zo’n vrome vader ervoor terugschrikken om geld aan te nemen dat aan God is toegezegd (Mc 7,11). Maar dit is overlevering van mensen die met uitvluchten hun hebzucht bemantelen. Daar staat Gods overlevering tegenover om eerst het onderhoud van vader en moeder veilig te stellen. Want als volgens Gods uitspraak een smadelijke behandeling van ouders met de dood wordt gestraft (Ex 21,17), hoeveel te meer dan de honger van de ouders die nog erger is dan de dood!
In deze passage stelt de Heer paal en perk aan misplaatste hoogmoedswaan. Alleen om een grote naam onder de mensen brengen velen naar de kerk toe wat ze van hun naaste verwanten wegbrengen, terwijl toch milddadigheid moet beginnen bij de plicht voor eigen familie. Geef eerst aan vader of moeder, geef ook aan de arme, geef aan die priester wat u aan aards bezit te missen hebt; dan kunt u van hem het geestelijke ontvangen wat u nog ontbreekt. Wie iemand namelijk eert, zal zelf ook geëerd worden. Let er daarom op dat die priester bij het ontvangen ook geeft! Hij ontvangt niet als een arme, maar als iemand die u met een ruimere maat zal terugbetalen. Geef aan de arme om hem rust te gunnen: dan zult u hem in zijn nood van het uwe meedelen en zelf ook rust krijgen! Overigens spreekt de Schrift wel van de plicht om voor het onderhoud van vader en moeder te zorgen maar ook van de noodzaak de ouders omwille van God te verlaten als ze iemands geestelijke toewijding in de weg staan (Mc 7,11).

Uit: Ambrosius van Milaan – Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; – Budel : Damon 2005, p. 449-451.