30e zondag door het jaar – 24 oktober 2027
bij Mc 10,46-52 uit Augustinus’ sermo 88,1 en 3
U weet het net zo goed als ik, geliefde broeders en zusters: onze Heer en Heiland Jezus Christus is de dokter die over ons eeuwig heil waakt. En omdat Hij niet wil dat onze zwakheid eeuwig zal duren, heeft Hij de zwakheid van onze natuur op zich genomen. Hij heeft namelijk een sterfelijk lichaam aangenomen om daarin de dood te doden. En “al werd Hij voor onze zwakheid gekruisigd,” zoals de apostel Paulus zegt, “Hij leeft in Gods kracht.” (2 Kor 13,4) Ook de volgende woorden zijn van Paulus: “Christus sterft niet meer: de dood heeft geen macht meer over Hem.” (Rom 6,9) Als gelovige weet u dit natuurlijk heel goed.
Tegelijkertijd moeten we tot ons laten doordringen dat alle wonderen die Hij in zijn sterfelijke lichaam heeft gedaan, maar één doel hebben: ons eraan herinneren dat we van Hem iets kunnen krijgen wat niet voorbijgaat, maar eindeloos duurt. Blinden heeft Hij de ogen geopend, hoewel de dood ze later toch weer zou sluiten (Mc 10,46-52). Lazarus heeft Hij tot leven gewekt, hoewel die later toch weer zou sterven (Joh 11,38-44). Bij alles wat Hij voor ons lichamelijk welzijn heeft gedaan, gaat het Hem er niet om dat zo’n genezing een eeuwigdurend karakter heeft, hoewel Hij natuurlijk op het einde ons lichaam ook het eeuwige heil zal schenken. Maar mensen willen nu eenmaal eerst zien en dan pas geloven (Joh 20,29). Daarom probeert Hij door die genezingen met een tijdgebonden karakter, die ze met eigen ogen kunnen zien, hun geloof op te bouwen in wat nog niet te zien is. […]
De Heer heeft dat dus allemaal gedaan om mensen uit te nodigen tot geloof. En dat geloof bruist op dit moment in de kerk die over de hele wereld verspreid is. Nu verricht Hij nog grotere genezingen. En met het oog daarop was het Hem toen niet te min om die kleine genezingen te verrichten. Want zoals de geest hoger staat dan het lichaam, zo staat het heil van de geest ook hoger dan het heil van het lichaam.
Tegenwoordig komt het niet meer voor dat een wonder van God ons de ogen opent in ons blinde hoofd, maar wel dat het woord van de Heer ons de ogen opent van ons blinde hart. Tegenwoordig komt het niet meer voor dat een lijk tot leven komt, maar wel dat in een levend lijk de menselijke ziel weer tot leven komt. Tegenwoordig komt het niet meer voor dat ons de oren aan ons dove hoofd worden geopend. En beseft u wel bij hoeveel mensen de oren van het hart dichtzitten? En toch, als het woord van God binnendringt, gaan ze open.
Zo komen mensen die eerst niet geloofden, tot geloof. Zo gaan mensen die eerst slecht leefden, goed leven. En zo worden mensen die eerst niet gehoorzaamden, gehoorzaam. Dan zeggen we: “Hij is gelovig geworden!” En wanneer we dat horen zeggen over iemand van wie we altijd hadden gedacht: “Die verandert nooit,” dan zijn we verbaasd.
Waarom verbaast ons dat? Waarom verbaast het ons dat zo iemand gelovig is geworden, zijn schuld heeft verloren en God is gaan dienen? Toch alleen maar omdat we met eigen ogen kunnen zien dat iemand van wie we altijd hadden gedacht dat hij blind was, ziet? Dat iemand van wie we altijd hadden gedacht dat hij dood was, leeft? En dat iemand van wie we altijd hadden gedacht dat hij doof was, hoort?
Uit: Aurelius Augustinus, Van aangezicht tot aangezicht; – Amsterdam 2004 / Budel 2011, p. 506-508.
