2 november – Allerzielen

dinsdag 2 november 2027 – Allerzielen
bij Marcus 15, 33-39; 16, 1-6 ; Lucas 24, 13-35; Lucas 24, 13-35; Johannes 11,1-45
uit Augustinus’ De cura pro mortuis gerenda 4:

Inderdaad zijn veel lichamen van christenen niet met aarde bedekt, maar zonder dat iemand van hen van hemel en aarde werd gescheiden. De aarde is geheel vervuld van de aanwezigheid van Hem die weet hoe Hij weer tot leven kan wekken wat Hij geschapen heeft. In een psalm staat weliswaar: “Ze hebben het stoffelijk overschot van uw dienaren neergelegd als aas voor het gevogelte, het vlees van uw heiligen voor de wilde dieren; ze hebben hun bloed rond Jeruzalem als water uitgegoten en er was niemand om hen te begraven.” (Ps 79,2-3) Maar dat was meer bedoeld om de wreedheid van de daders reliëf te geven dan de rampspoed van de slachtoffers. Ook al is die in de ogen van mensen hard en gruwelijk, toch is in de ogen van de Heer de dood van zijn heiligen kostbaar (Ps 116,15). Al die handelingen zoals de verzorging van het lijk, de inrichting van een graf, de stoet bij de uitvaart, zijn dus meer de levenden tot troost dan de doden tot steun. Pas als een goddeloze enige baat heeft bij een dure begrafenis, zal een goedkope begrafenis – en zeker het ontbreken ervan – een vrome schaden. Ten behoeve van die in purper geklede rijkaard werd voor de ogen van de mensen door zijn personeel een grandioze begrafenis georganiseerd. Maar luisterrijker was in de ogen van de Heer de uitvaart die engelen verzorgden ten dienste van die arme man met zijn zweren. Ze hebben hem niet weggebracht naar een marmeren graf, maar omhoog gebracht naar de schoot van Abraham (Lc 16,19-22).

Uit: Jan den Boeft en Hans van Reisen, Aurelius Augustinus – Wat kunnen wij voor de doden doen?, Budel 2004; p. 29-30.